RUNDVEELOKET

Voersaldo bij wissel van productiegroep


Koeien groeperen met aangepaste rantsoenen per groep kan de voederefficiëntie verbeteren. De koeien krijgen zo een rantsoen dat nauwer aansluit bij hun behoeften, waardoor de nutriënten beter benut worden. Toch leeft de vrees dat een groepswissel de melkproductie drukt en het potentieel voordeel verloren gaat. Om dit uit te klaren analyseerden Spaanse onderzoekers data van 2.142 groepswissels van 1.960 koeien in 3 kuddes.

Naarmate kuddes groter worden is het makkelijker om ze op te splitsen in productiegroepen. Hoogproductieve dieren kunnen zo een rijker rantsoen gevoederd krijgen, terwijl een armer rantsoen vervetting voorkomt bij de laagproductieve dieren. Naast financieel voordeel, beperkt dit ook de impact op het milieu. Het financieel aspect werd eerder al modelmatig aangetoond. Toch kiezen heel wat melkveehouders nog voor één kudde voor de eenvoud in management, door de indeling van de stal of omdat ze vrezen dat de melkproductie nadelig beïnvloed wordt.

Productieverlies

Een koe ervaart stress bij elke groepswissel. Ze moet wennen aan haar nieuwe leefomgeving en een plek vinden in de rangorde. Dit verstoort het normale activiteitenpatroon van de koe. De koe zal hierbij minder lang liggen en ook minder eten, wat leidt tot een verlaagde of minder efficiënte melkproductie. Het negatief effect van een groepswissel duurt gemiddeld 3 tot 7 dagen.

Onderzoek toonde aan dat koeien de eerste dag na een groepswissel gevoelig minder voeder opnamen. Dit leidde tot een daling in melkproductie van 3 % op de eerste dag en 4 % over de eerste week na de wissel. Zeker als de wissel gepaard gaat met de overgang naar een armer rantsoen mag een daling in melkproductie verwacht worden.

Euro’s boven liters

Hoewel een daling van de melkproductie de bruto inkomsten drukt, kan economisch geoptimaliseerd worden door op het voersaldo te focussen. Als de daling van de voerkost groter is dan de daling van de melkopbrengst neemt het voersaldo per koe en over het hele bedrijf immers toe. Als er bovendien meer dan één mengwagen gevuld moet worden om alle koeien te voederen is er ook weinig extra input (tijd) nodig om aangepaste rantsoenen te maken. Het financieel voordeel van nutritionele groepen werd eerder al theoretisch aangetoond. Spaanse onderzoekers gingen recent echter na of dit ook in de praktijk effectief en in dezelfde mate gerealiseerd kan worden.

Groepswissels onder de loep

In 3 kuddes melkkoeien in lactatie werden 2.142 groepswissels onder de loep genomen. De wissels werden bepaald door de melkveehouders en de rantsoenen waren per groep afgestemd op een specifieke productieniveau. Toch werd de wissel vaak ingegeven door het aantal dagen in lactatie en de beschikbare plaats in de verschillende groepen eerder dan het productieniveau van de koe.

Van elke koe werd het lichaamsgewicht en de melkproductie individueel geregistreerd van 21 dagen vóór de wissel tot 21 dagen na de wissel. De melkproductie vóór de wissel werd ook gebruikt om de verwachte productie na de wissel te simuleren, mocht er geen groepswissel plaatsgevonden hebben. De voederopname werd voor iedere koe en iedere groep berekend op basis van de effectieve en gesimuleerde melkproductie vóór en na de wissel en gecorrigeerd na aftoetsen met de effectieve opname op groepsniveau. Het voersaldo werd berekend op basis van de effectieve melkproductie, een melkprijs van 0,32 €/100 l, de voorspelde voeropname en de effectieve rantsoenkost.

Groepswissels: liters en Euro’s

Op de drie praktijkbedrijven kregen de koeien na de wissel steeds een goedkoper rantsoen met minder eiwit en energie. Dit resulteerde steeds in een daling van de melkproductie. Na de overgang van een hoogproductieve groep (rijk rantsoen) naar een medium of laagproductieve groep (armer rantsoen), produceerden de koeien in de 21 dagen na de wissel gemiddeld ruim 4 kg per koe per dag minder dan in de 21 dagen vóór de wissel. Ten opzichte van de voorspelde melkproductie alsof de koeien in dezelfde groep gebleven zouden zijn, was de daling echter een stuk kleiner.

Bij de overgang naar een medium rantsoen zakte de productie slechts met 0,48 kg/dag meer dan mochten de koeien op het rijk rantsoen gebleven zijn (Tabel 1). Bij de overgang van een hoog- naar laagproductieve groep gaf het armer rantsoen aanleiding tot een extra productiedaling van 0,78 kg per koe per dag. Deze beperkte daling van de melkproductie gaf in combinatie met een lagere rantsoenkost aanleiding tot een hoger voersaldo. Het rantsoen in de medium productieve groep was bijvoorbeeld 15 € per ton goedkoper waardoor het voersaldo in de 21 dagen na de wissel 0,22 € per koe per dag hoger lag, dan mochten de dieren op het eerste (rijkere) rantsoen gebleven zijn. Het armer rantsoen van de laagproductieve groep was 24 € per ton goedkoper, waardoor het voersaldo na de wissel 0,39 € per koe hoger bleek te liggen (Figuur 1).
 

Geobserveerde en voorspelde melkproductie
Figuur 1. Geobserveerde en voorspelde melkproductie en voersaldo bij wissel van hoogproductieve naar laagproductieve groep op bedrijf B (276 groepswissels)


Op één bedrijf gingen koeien ook van een medium naar een laagproductieve groep. Bij deze overgang zakte de melkproductie in de 21 dagen na de wissel met gemiddeld 4,6 kg per koe per dag. Dit was 2,1 kg meer dan mochten de koeien in de medium groep gebleven zijn. Hoewel het rantsoen bij de laagproductieve groep 14 € per ton goedkoper was, leverde dit toch geen winst in voersaldo op. Het verlies in melkopbrengst was dus groter dan de winst uit de lagere voerkost.
Ook de overgang van een vaarzengroep naar een medium of laagproductieve groep werd onderzocht. De vaarzen bleken bij uitstek een overgang naar een goedkoper en geschikter rantsoen te valoriseren. Hun melkproductie daalde na de overgang weinig ten opzichte van de verwachte productie: 0,08 kg/dag naar een medium en 0,48 kg/dag naar een laagproductieve groep. Met een verschil in rantsoenkost na de wissel van respectievelijk 14 en 29 €/ton, kwam het voersaldo per koe op 0,34 en 0,75 €.

Overgang van de vaarzengroep naar de hoogproductieve groep leverde geen winst in voersaldo, want het verschil in voerkost tussen vaarzengroep en hoogproductieve groep was te beperkt.

Tabel 1. Verschil in voerkost + melkproductie, voederopname en voersaldo voor de 21 dagen na een wissel ten opzichte van de ingeschatte situatie zonder wissel

Groepswissels

Melkproductie,
kg/koe/dag

Voederopname,
kg/koe/dag

Rantsoenkost,
€/ton

Voersaldo,
€/koe/dag

 

 
   

Bedrijf A

Hoog → medium

-0,48*

0,02

253 → 238

0,22*

   
 

Vaarzen → medium

-0,08

-0,09

248 → 238

0,34*

   
 

Medium → Laag

-2,1*

-0,10*

238 → 224

-0,37*

   
                       

Bedrijf B

Hoog → Laag

-0,78*

-0,03

266 → 242

0,39*

   
 

Vaarzen → Laag

-0,48*

-0,15*

271 → 242

0,75*

   
                       

Bedrijf C

Vaarzen → Hoog

-2,0*

-0,22*

233 → 226

-0,51*

   

* P < 0,05    

Groepswissels: vaststellingen

Bij heel wat wissels bleek de melkproductie, na een eerste daling, te evolueren naar een niveau dat theoretisch voorspeld werd voor het geval het rantsoen niet veranderd zou zijn (zie figuur 1). Wellicht is het rantsoen kort voor de wissel vaak te rijk voor de productie die de dieren op dat moment realiseren en gaat een deel van de nutriënten dan naar lichaamsgewicht eerder dan naar melkproductie. Hier zit dus een belangrijk deel van de meerwaarde van het werken met productiegroepen en beter aangepaste rantsoenen.

Verder kon men vaststellen dat productiegroepen geen garanties bieden op een hoger voersaldo als de kostprijs per eenheid energie en eiwit niet verlaagd kan worden. Als de nutritionele waarde van het rantsoen te sterk zakt ten opzichte van het verschil in kostprijs zal het verlies in melkopbrengst niet makkelijk gecompenseerd worden door de lagere rantsoenkost.

Tot slot bleek de meerwaarde van productiegroepen kleiner te worden naarmate de melkprijs steeg. Of anders geformuleerd: het economisch voordeel van productiegroepen wordt groter naarmate melkprijs en voerkost dichter bij elkaar liggen. 

Conclusie

Koeien groeperen en van een aangepast rantsoen voorzien volgens productieniveau zal in veel gevallen de rendabiliteit verbeteren, zelfs als de melkproductie wat zakt bij de groepswissels. Een verschil in kostprijs van energie en eiwit in de verschillende rantsoenen is hiervoor wel nodig. Idealiter vormen de nutritionele behoeften de basis voor het groeperen van de koeien en formuleren van de rantsoenen. De beslissing om een koe van groep te wisselen wordt idealiter ook genomen op basis van voorspeld voersaldo, eerder dan het aantal dagen in lactatie of de grootte van de groepen.

 

Bron:

Changes in milk production and estimated income over feed cost of group-housed dairy cows when moved between pens. Alex Bach. Journal of Dairy Science Vol. 106 No. 6, 2023